Het is druk in mijn hoofd, je zou kunnen zeggen dat het stormt. Er zijn weer veel veranderingen op komst en dat brengt onrust. Veranderingen waarvan onze kinderen denken ‘Wat gaan ze nu weer doen?” of waarop mijn vriendin reageert met “Jullie hebben altijd opties,” zijn ons ding geworden, iedereen is eraan gewend geraakt. We merkten wel dat onze kinderen zich zorgen maakten als we vertelden over onze dromen. Enthousiast een stuk land bovenop een bergtop laten zien en uitleggen dat dit een perfecte locatie voor een regeneratieve boerderij is, zorgde voor de opmerking “Mam, je wordt ook ouder hè, straks kan je die berg niet meer afkomen!” 

Maar dit keer werd er niet bezorgd gekeken en werd de verandering toegejuicht. Tijdens een periode van anderhalve maand in Nederland, had ik ’s ochtends in bed uit het niets aan de allerliefste gevraagd “Wat zou jij ervan vinden als we hier blijven?” Voorzichtig keek ik zijn kant op en nam ik nog een slokje van de koffie om het vooral nonchalant over te laten komen. Ik wilde er nog aan toevoegen; “Ik kan mijn modellenwerk ook vanuit Nederland doen,” maar ik zag het al aan zijn gezicht, hij voelde het ook, het is tijd om terug te komen.  

Ik had een seniorenflat kunnen bemachtigen. Op zoek naar een eigen plek in Nederland ontdekte ik dat dit een manier was om ertussen te komen. De woningmarkt is overspannen, maar de 55-plusser blijft uit ontkenning ver weg van alles wat met bejaarden te maken heeft. Mijn leeftijdsgroep probeert door middel van hippe kleding, veel sporten, vermoeiend veel festivalbezoek en verre reizen, te bewijzen dat ze nog lang niet oud zijn. Dus is een seniorenflat wel de laatste plek waar je gaat wonen. Ik reageerde wel, want ik vond het best, het gaf mij een kans op een woning en ik ben dol op bejaarden. Dat ik binnen een week alweer genoeg verhalen had om een volgend boek te vullen was alleen maar een pluspunt. Een maand lang waren we aan het inrichten met een hoeveelheid spullen uit onze container waar je drie huizen mee kon inrichten. Het resultaat was dat we ons ineens thuis voelden. Alles klopte, de inrichting van onze kleine studio met eigen spullen, de omgeving waar de allerliefste geboren is en hij mij voorziet van een overload aan info over vroeger, mama dichtbij en mijn eerste oma oppasdag, ik wilde blijven.

Maar tegelijkertijd sloeg de paniek toe als ik bedacht wat ik in Spanje moest achterlaten. Onze vrienden, mijn tuin, het fijne weer, ons zwembadje en de relaxte houding van de Spanjaard, waar we ons al aardig in konden verplaatsen. De manier van leven, het niet verstrikt zitten in regeltjes, bezig zijn met vandaag en volgende week zien we het wel weer. Eten en familie, de rest doet er niet toe. In Nederland zijn er regels, voorschriften, protocollen. Als we bij het storten van ons grofvuil helemaal de weg kwijtraken, omdat het bijna hogere wiskunde is in welk bakje wat mag, denk ik aan de Spanjaarden die grofvuil gewoon over de schutting gooien en hoor ik mezelf hardop zeggen “In Spanje gooien we alles in één bak, wat doen jullie hier moeilijk.”

Als we terug in Valencia zijn wordt de onrust alleen maar groter, overal waar ik kijk zie ik dingen waar ik afscheid van zal moeten nemen. Er ontstaan drie categorieën in mijn hoofd; weggeven, weggooien of meenemen. Ik word zelfs verdrietig en voel bij alles een laatste keer. Het besef dat deze plek steeds meer als thuis is gaan voelen en dat we hier veel mee hebben gemaakt, wordt helemaal duidelijk als ik een bericht in de Spaanse krant lees dat ze een paar kilometer bij ons vandaan nog een DANA slachtoffer gevonden hebben, een jaar na dato. Het brengt me terug naar die intense tijd, waar we met de buren een innige band kregen door samen de rotzooi om ons heen op te ruimen. Voor het eerst maakten we mee wat het betekent als er iets ergs gebeurt en alles platligt en je omgeven bent door complete chaos. Veel slachtoffers en geen hulp, geen water, geen stroom, geen eten, geen geld, niks. We zagen de boeren en buren in ons dorp elkaar helpen en spraken naar elkaar uit dat we in Spanje goed zaten.

De allerliefste neemt me mee naar het dorp, want er moeten boodschappen worden gedaan en hij wil mijn opruimwoede doorbreken. We zijn lang weggeweest en het zorgt dat je weer anders naar de dagelijkse dingen kijkt. Het voelt als een vakantie, naar een plek waar je ieder jaar terugkomt en waar alleen maar kleine aanpassingen zijn. Het zonnetje schijnt, de mensen hebben geen haast en de caissière van de supermarkt is blij ons weer te zien. De grootste verandering is dat ze de mayonaise op een andere plek hebben gezet door deze te wisselen met de thee, zodat we zonder beide naar huis gaan. We rijden met de ramen open terug en de heerlijk geur van rozemarijn en wilde tijm komt in de auto. De achterbak ligt vol met eten en we verheugen ons al op de fijne avond buiten op het terras met veel kaas en wijn, starend naar de lichtjes van de stad. Ik kijk om me heen en het valt me op dat er heel veel plastic flessen in de berm liggen en ik moet aan mama denken die constant vanaf de achterbank riep “Ze maken er hier wel een zooitje van hè,” en mijn standaard reactie “Ach dat valt toch wel mee.” Ze had gelijk, al die plastic flessen, ze zouden hier een statiegeld-regel moeten invoeren.

7 reacties

  1. Heel leuk om te lezen! Enne….wat die berg betreft: eraf kom je altijd wel….of je er tzt ook nog tegenop komt, das de vraag:-)

Laat een antwoord achter aan Esther Reactie annuleren

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Plaats reactie